Stemmetjes onder de dekens

Ik herinner me hoe lelijk ik mijn eigen stem aanvankelijk vond. Ben ik dat echt? De smartphone liet nog vele decennia op zich wachten, en zelfs de cassetterecorder was toen nog geen gemeengoed. Niemand wist hoe zijn of haar stem eigenlijk klonk. We waren apen in een oerwoud zonder spiegels.

Dertien was ik toen ik mijn stem voor het eerst hoorde. Ik had voor Sinterklaas een bandrecordertje gevraagd – ter grootte van een sigarenkistje met twee spoeltjes en een koptelefoontje. Ik had het tot mijn verbazing nog gekregen ook. Ik had dat ding niet voor niets gevraagd. Ik was geobsedeerd door accenten, vooral Engelse. Feitelijk leed ik aan anglofilie, net als mijn vader. Zijn aandoening uitte zich in een hevige voorliefde voor cricket, een blazer-met-strikje en thee met melk. Mijn variant (het is dus kennelijk iets genetisch) werd aangejaagd door de single ‘Help’ van de Beatles, en dan vooral ook de rauwe gitaarsolo op de B-kant, van ‘I’m down’. Deze Beatles hadden mij totaal in hun greep, en dus oefende ik  – behalve gitaarakkoorden – eindeloos op de lijzige ‘Liverpudlian lilt’ van mijn muzikale helden. ‘This is John speak’n wi’ ‘is voice.’ Youtube bestond natuurlijk niet. Ik kon mijn voorbeelden alleen beluisteren als ze toevallig voorbij kwamen op de radio of televisie.

Zo waagde ik mij ook aan Cockney – plat-Londens – vanwege de destijds populaire comedy-serie ‘On the buses’, over Londense buschauffeurs. Hun schuine grappen en geroddel in de remise werden steevast onderbroken door een zure chef (‘the inspector’) met een Hitlersnorretje. ‘Blimey, ‘ere comes ‘itler…’

Uiteraard probeerde ik ook Nederlandse radiostemmen uit. Zoals die wonderlijke, hypnotiserende opsomming van ‘de waterstanden’: Lobith: min drie; Wageningen: min twee; Leidsche Rijn: plus 1…’ En uiteraard de galmende disc-jockeys: ‘met stip gestegen van twaalf naar twee!’, of ‘Herinnert u zich deze nog (nog..nog..nog)????

Uren kon ik die stem-experimenten volhouden, tot diep in de nacht met mijn hoofd onder de dekens. Want pa en ma mochten natuurlijk niet horen dat ik nog steeds wakker was, Trouwens – niemand mocht het horen. For my ears only. Dit was mijn geheime laboratorium.

En zo bleef ik mijzelf interviewen, terugluisteren en verbeteren, net zo lang totdat de fragiele bandjes door het eindeloos heen en weer spoelen het geluid niet meer dragen konden en uitgeput in rafels van de spoelen gleden.

Die ene tape, die dus niet meer bestaat, bevat alles wat ik daarna heb gedaan: ik leerde gitaar spelen, studeerde Engels, en speelde logischerwijs in bandjes. Zo leerde ik voor publiek kletsen. Dat bracht me voor de camera van Het Klokhuis, en zo kwam ik via allerlei omzwervingen uiteindelijk weer uit bij dat jongetje dat met zijn bandrecordertje stemmetjes zat te doen. Inspreken is mijn beroep. En ik heb nu een studio, maar dat was dat holletje onder de dekens natuurlijk ook.

Jeroen Kramer is van beroep ‘voice-over‘, ook wel stemacteur, commentaarstem of inspreekstem genoemd. Hij beschrijft zijn observaties over dit toch wat vreemde beroep in een wekelijks stukje. Meer van Jeroen lezen? Bekijk het overzicht op  VOICE NOISE


I

Visited 91 times, 1 Visit today

andere columns

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*